De Wet Rechtsherstel box 3, die met terugwerkende kracht over 2017-2022 de Wet Inkomstenbelasting in overeenstemming zou moeten brengen met het Box 3-arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, beantwoordt, behalve bij spaarders, niet aan zijn doel. Die wet schendt bij bezitters van ander vermogen dan spaargeld nog steeds het discriminatieverbod en het eigendomsrecht omdat nog steeds zeer verschillend renderende of negatief renderende beleggingen belast worden naar één uniform positief rendement. Ondergemiddeld fortuinlijke beleggers betalen daardoor nog steeds te veel belasting en bovengemiddeld fortuinlijke beleggers nog steeds te weinig. Een gemiddelde belasting op vermogensinkomsten is juridisch een onbegaanbare weg omdat de werkelijke inkomsten van belastingplichtigen niet of onvoldoende worden benaderd. Dat adviseert advocaat-generaal (AG) Wattel de Hoge Raad in een conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:655) die vandaag is gepubliceerd.

 

Advies AG Wattel

Belastingheffing naar een gemiddeld beleggingsrendement leidt volgens AG Wattel altijd – per definitie van ‘gemiddelde’ – tot discriminatie van de ondergemiddelden en privilegiëring van de bovengemiddelden. De feitelijke heterogeniteit van individuele vermogensrendementen in de jaren 2017-2022 wordt niet anders als met terugwerkende kracht een ander gemiddelde wordt berekend of als banktegoeden en schulden afgezonderd worden en een lager gemiddeld percentage krijgen dan overige bezittingen. De heterogeniteit van het rendement op overige bezittingen (beleggingen) is waarschijnlijk groter dan die van het rendement op het gehele vermogen omdat spaarrente een veel kleinere heterogeniteit heeft dan beleggingsresultaten. Weliswaar belast de Herstelwet spaarrendement realistischer (lager), maar daardoor vergroot die wet waarschijnlijk juist de willekeur bij de bezitters van ander vermogen. De Herstelwet schendt daardoor volgens de AG – behalve voor spaargeld – het discriminatieverbod en het eigendomsgrondrecht minstens evenzeer en even systemisch als de te herstellen oude box 3 tot en met 2017.

Voor het concrete geschil betekent dit het volgende: het vermogen van het echtpaar is veel groter dan alleen de VvE-reserves-aandelen en het Hof had zich daarom volgens de AG niet moeten beperken tot de vraag of die aandelen ‘banktegoeden’ of ‘overige bezittingen’ zijn, maar had het verschil tussen het wettelijke en het werkelijke nettorendement op het totale vermogen moeten vaststellen. De Herstelwet moet volgens de wetgever immers het werkelijke vermogensrendement van de belastingplichtige beter benaderen. Alleen als het wettelijke en het werkelijke totale rendement te ver uit elkaar liggen in het nadeel van de belastingplichtige, is rechtsherstel geboden. De AG geeft de Hoge Raad in overweging om een tolerantiemarge tussen het werkelijke en het wettelijke rendement te bepalen en de zaak terug te sturen naar het hof om het werkelijke nettorendement van het gehele vermogen van het echtpaar in 2018 te laten vaststellen en dat te vergelijken met het rendement 2018 volgens de Herstelwet.

 

Uitspraak Hoge Raad

De Hoge Raad zal naar verwachting over zes maanden uitspraak doen.

 

Inventarisatie werkelijk rendement box 3

De kans is groot dat de Hoge Raad het advies van de AG Wattel overneemt. Waarschijnlijk gaat dit betekenen dat het inkomen van box 3 gebaseerd mag worden op het werkelijk genoten rendement. Hoe dit berekend moet worden, is nog niet bekend. Hopelijk geeft de Hoge Raad in haar arrest richtlijnen hoe dit berekend moet worden. Het RB heeft op basis van de huidige jurisprudentie een fiscaal rekenmodel ontwikkeld hoe het werkelijk rendement berekend moet worden. Het RB raadt hun leden aan om hun klanten te informeren en alvast bij hun klanten gegevens op te vragen om het werkelijk rendement box 3 te bepalen.

 Het fiscaal rekenmodel Toolbox Box 3 – Inventarisatielijst werkelijk rendement box 3 voor periode 2017-2022 vind je in het dossier box 3.

Deel dit nieuwsbericht

Recente nieuwsberichten