De inspecteur heeft op 17 juli 2026 collectief uitspraak gedaan in de massaal bezwaar plus procedure rond box 3. Het betrof aanslagen inkomstenbelasting voor de jaren 2017 tot en met 2020 waarbij sprake was van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3).
Als massaal bezwaar plus in de zin van artikel 9.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 waren aangewezen verzoeken om ambtshalve vermindering van aanslagen inkomstenbelasting over de kalenderjaren 2017 tot en met 2020 en bezwaarschriften tegen de afwijzing daarvan:
· waarop ten tijde van de dagtekening van de aanwijzing (25 januari 2023) nog geen beslissing is genomen of uitspraak is gedaan of die tijdig werden ingediend tot en met de dag voorafgaande aan de dag waarop de hier bedoelde collectieve beslissing en collectieve uitspraak wordt gedaan; en
· die de volgende rechtsvraag bevat:
“Kunnen degenen wiens aanslag inkomstenbelasting over het kalenderjaar 2017 of 2018 of 2019 of 2020 reeds onherroepelijk vaststond op 24 december 2021 (de niet-bezwaarmakers) wegens strijd met supranationale bepalingen, zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM of artikel 14 EVRM, of strijd met nationale regelingen of strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend het evenredigheidsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel, een beroep doen op het arrest dat de Hoge Raad op die datum gewezen heeft (ECLI:NL:HR:2021:1963)?” (einde rechtsvraag). Dit arrest staat bekend als het Kerstarrest.
Op 25 juni 2026 heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op de in de aanwijzing massaal bezwaar plus vermelde rechtsvragen (Hoge Raad 25 juni 2026, nr. 25/02700, ECLI:NL:HR:2026:907). Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur collectief op de verzoeken beslist en collectief uitspraak gedaan op de bezwaren waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar plus geldt. Deze beslissing/uitspraak strekt tot afwijzing van de verzoeken en ongegrondverklaring van de bezwaren.
Arrest van de Hoge Raad en beantwoording rechtsvragen massaal bezwaar plus
De Hoge Raad heeft bij arrest van 25 juni 2026, nr. 25/02700, ECLI:NL:HR:2026:907 beslist dat het oordeel van de Rechtbank dat de termijnoverschrijding in de omstandigheden van dit geval niet verschoonbaar is, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
Verder heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar het arrest van 20 mei 2022, nr. 21/04407, ECLI:NL:HR:2022:720 overwogen dat het arrest van 24 december 2021 nieuwe jurisprudentie vormde met betrekking tot het forfaitaire stelsel van heffing in box 3 zoals dat met ingang van het jaar 2017 gold.
De Hoge Raad ziet geen redenen om van dit arrest terug te komen.
Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de niet-bezwaarmakers niet in dezelfde positie verkeren als degenen die wel tijdig bezwaar hebben gemaakt. Van gelijke gevallen is geen sprake en daarmee ook niet van discriminatie.
De uitzondering voor nieuwe jurisprudentie is volgens de Hoge Raad niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel. Evenmin vormt deze een inbreuk op het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Van een schending van andere beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, is ook geen sprake.
Hoewel de Hoge Raad heeft geoordeeld in twee van de vier procedures die zijn geselecteerd als proefprocedure in het kader van de procedure massaal bezwaar plus, acht de inspecteur met dit arrest van de Hoge Raad de rechtsvragen uit de aanwijzing massaal bezwaar plus door de Hoge Raad onherroepelijk ontkennend beantwoord.
De inspecteur wijst de verzoeken om ambtshalve vermindering af en verklaart de bezwaren ongegrond.
De collectieve beslissing is geen voor bezwaar vatbare beschikking. Tegen de collectieve uitspraak kan geen beroep worden ingesteld.
Individuele geschilpunten
Voor zover er nog individuele geschilpunten openstaan zal de inspecteur deze individueel afdoen. Bedacht moet hierbij worden dat er doorgaans niet tijdig bezwaar zal zijn gemaakt. Omdat het Kerstarrest van 24 december 2021 nieuwe jurisprudentie vormt – zie hierboven – is slechts in bijzondere gevallen – bijvoorbeeld bij een verkeerde tenaamstelling van vermogensbestanddelen – te verwachten dat een belastingplichtige in het gelijk zal worden gesteld voor deze individuele geschilpunten. Tegen een individuele uitspraak op bezwaar kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. De inschatting of een dergelijk beroep kansrijk is, is voor iedere situatie anders.
Uit het arrest is nog wel af te leiden dat de nieuwe jurisprudentie beperking in uitzonderlijke situaties terzijde geschoven zou kunnen worden, zoals ingeval van een individuele buitensporige last. Het lijkt echter vrijwel onmogelijk om hierop kansrijk een beroep te kunnen doen, gezien de door de Hoge Raad geschetste beoordelingscriteria wanneer sprake is van een dergelijke buitensporige last, in het arrest van 2 juli 2021, nr. 20/02453, ECLI:NL:HR:2021:1047.
Het is nu wel duidelijk dat niet of niet tijdig bezwaar maken in de praktijk betekent dat men zijn rechten verliest. Overleg met je klant en bevestig schriftelijk diens beslissing als hij niet in bezwaar wenst te gaan. Dit geldt niet alleen voor Box 3 maar voor alle mogelijke geschillen met de Belastingdienst.
Wil je meer weten over het einde van de Massaal Bezwaar Plus Procedure. Kijk dan naar het Webinar
Het einde van Massaal Bezwaar Plus
Let op: je hebt de mogelijkheid om dit waardevolle webinar terug te kijken tot 1 januari 2027. Mis deze unieke kans niet om volledig op de hoogte te zijn van de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van de massaal bezwaar plus procedure. Bovendien, als kers op de taart, verdien je waardevolle PE-punten door deel te nemen! Wacht niet langer en schrijf je vandaag nog in!